Share

  • Twitter
  • Facebook
  • LinkedIn
  • Tell-a-friend
|

Jaarverslag 2009

Erfgoed internationaal

Astrid Weij, programmamanager Erfgoed internationaal

'U kunt altijd contact met mij opnemen wanneer u internationaal wilt samenwerken op het terrein van cultureel erfgoed.'

'Ik werk bij Erfgoed Nederland omdat ik erfgoed boeiend vind. Het internationale veld is daarbij heel spannend. Erfgoed heeft zoveel verschijningsvormen en biedt onverwachte connecties. Daarin leiding kunnen geven aan een team is leuk en inspirerend.'

Neem contact op met Astrid Weij

Kun je de belangrijkste ontwikkelingen op jouw vakgebied in 2009 schetsen en vertellen hoe je programmalijn daarop inspeelde?

'Internationaal is meer een speelveld dan een vakgebied. Het heeft betrekking op alle terreinen van het erfgoed. Wij richten ons in de programmalijn op het GCE-beleid en Europa. Binnen het internationaal cultuurbeleid van de overheid is Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed (GCE) één van de prioriteiten. De brief Grenzeloze Kunst van OCW en BZ vormt vanaf 2009 het beleidskader voor GCE t/m 2012. Erfgoed Nederland informeert het veld over dit GCE-beleid. In het najaar van 2009 hebben we een digitale enquête uitgezet onder 501 erfgoedprofessionals met als doel het verwerven van informatie over de vraag in hoeverre Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed (GCE) bekend is en wat de wensen en behoeften rondom GCE zijn.
Een andere belangrijke ontwikkeling uit 2009 is de komst van het Verdrag van Lissabon. Dit verdrag heeft indirect veel gevolgen voor ons, zeker met het oog op de doelstellingen die we in het programma internationaal over Europa hebben gedefinieerd. In het verdrag staat cultureel erfgoed specifiek genoemd. Daarmee is het benoemd als onderwerp dat aandacht krijgt van Brussel. We willen met ons internationale programma erfgoed in Europa positioneren. We maken het erfgoedveld wegwijs in Europa en maken het proces van beleidsbeïnvloeding inzichtelijk. Het verdrag is pas begin 2010 van start gegaan, evenals het Europees parlement, dus we staan nog aan het begin van de implementatie. De natiestaten van Europa nemen politiek gezien een grote plaats in, maar voor het erfgoed is het lokale steeds belangrijker. Ook op deze ontwikkeling spelen we in met ons programma. Internationale samenwerking tussen lokale projecten blijkt een sterke formule.'

Kun je de voornaamste resultaten noemen die je programmalijn in 2009 bewerkstelligde?

'Een aantal schiet me meteen te binnen. Het AWAD-netwerk en de AWAD-database zijn in 2008 naar Erfgoed Nederland gekomen maar in 2009 hebben we de samenwerking met het Nationaal Archief en het KITLV echt geformaliseerd. De excursie Hoe werkt Brussel? heeft boeiende resultaten opgeleverd. Het is erg inspirerend om te zien hoe deelnemers aan die studiereis de kennis die ze hebben opgedaan ook echt toepassen in hun eigen werk. De koffiebijeenkomsten waarin we samen met de SICA voorlichting gaven over Europa trokken veel meer deelnemers dan we gedacht hadden, we moesten zelfs uitwijken naar een andere locatie. Het is goed om te zien dat we inspelen op een vraag. Het erfgoededucatieproject met Indonesië is succesvol afgerond. Daar hebben we in anderhalf jaar een mooie samenwerking neergezet waarop we kunnen voortbouwen. We doen naast dit alles zelf mee aan drie Europese projecten: Collectiemobiliteit, CARARE en History and Heritage. En tot slot hebben we een verbindende rol. Mijn werk houdt ook in dat ik Pietje in contact breng met Klaasje. Dit werk is minder zichtbaar, maar vormt wel een essentieel onderdeel. Ik zie ook dat daar veel waardering voor is. Onze positie, rol en meerwaarde in het internationale speelveld worden steeds duidelijker.'

Waar ben je trots op?

'Ik zie dat de mensen binnen de programmalijn steeds beter in staat zijn zelf ook de verbindingen te leggen die de erfgoedsector op weg helpen in het internationale speelveld. Daar ben ik trots op. Ook ben ik trots op wat we op Europees gebied en binnen GCE bereikt hebben. We hadden in 2009 ook de ruimte om samen met de andere programmalijnen in te spelen op actuele ontwikkelingen, zoals in het project Mapping Brasil van de SICA. Dit project richtte zich op de positie van erfgoed in dit land en op professionalisering van de sector. Nederland heeft ook gemeenschappelijk cultureel erfgoed met Brazilië uit de tijd van Johan Maurits van Nassau, de 17de-eeuwse naamgever van het Mauritshuis. In Nederland is hij niet zo bekend, maar in Brazilië is hij een held. Overigens heeft dit ook een pragmatische reden: Van Nassau is als held naar voren gehaald om de Portugese periode die daarna kwam te vergeten. Maar dat terzijde.'

Kun je een opmerkelijk samenwerkingsverband uit 2009 noemen?

'Een onverwachte die heel goed liep was de samenwerking met Bureau Buiten op de Restauratiebeurs in Den Bosch. We gaven een duopresentatie over hoe Europa werkt en dat leverde een bijzondere wisselwerking op. Een ander voorbeeld is de samenwerking met Indonesian Heritage Trust (BPPI) in het project Heritage Education for schools in Indonesia. BPPI is een soortgelijke organisatie als Erfgoed Nederland en samen kunnen we een groot veld bereiken. Die samenwerking willen we dan ook zeker continueren. Een bijzondere connectie die ik heb gelegd is die tussen architect Cor Passchier, al jaren betrokken bij het Indonesisch erfgoed, en het Allard Piersonmuseum. Beide zijn met Multatuli bezig maar wisten dat niet van elkaar.'

Wat mogen we van je programmalijn verwachten de komende tijd?

'Het EU-programma gaan we voortzetten en we gaan het gemeenschappelijk cultureel erfgoed (GCE) inzichtelijker maken, onder andere met een aantal databases. AWAD gaat over de West, maar we willen ook kijken hoe we iets soortgelijks voor de Oost kunnen ontwikkelen. Het beleidskader GCE vanuit OCW gaat over acht landen. Wij vinden dat kader eigenlijk te beperkt: Nederland heeft met veel andere landen banden en andersom moeten die landen natuurlijk ook iets met ons hebben. Die wederkerigheid wordt nog weleens over het hoofd gezien.'