Achterstand wegwerken in archeologisch onderzoek

Projecten

Dit is een samenwerking tussen

Logo samenwerkingsparnter NWO
  • Twitter

Project 32. Begraven oorlogsverleden

Volledige titel

"Begraven Oorlogsverleden". De wetenschappelijke potentie en cultuurhistorische waarde van archeologische sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog.

Aanvragers

Hoofdaanvrager: Prof. dr. J.C.A Kolen (Vrije Universiteit Amsterdam); Overige aanvragers: Drs. R.S. Kok (Provincie Utrecht)

Teruggevonden cockpit instrumenten

Omschrijving kort

Het project "Begraven Oorlogsverleden" gaat niet over de uitwerking van één site of opgraving, maar over de inventarisatie en analyse van een categorie van archeologisch erfgoed en tevens ondergewaardeerde informatiebron: de bij archeologische opgravingen aangetroffen sporen en mobilia uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden is de interesse voor het oorlogserfgoed in de Nederlandse academische archeologie, de officiële uitvoeringspraktijk en het cultuurhistorisch beleid zeer beperkt geweest, ondanks het feit dat het zich kan verheugen in een grote publieke belangstelling. Dit heeft ertoe geleid dat de Nederlandse archeologie op dit terrein een grote achterstand heeft opgelopen, niet alleen in empirisch, maar ook in methodisch en theoretisch opzicht. Dat wordt duidelijk als we de stand van de kennis en het onderzoek in Nederland vergelijken met die in landen als Duitsland, België, Frankrijk en Engeland, waar de battlefield archaeology, de archeologische studie van de materiële cultuur uit oorlogstijd en het onderzoek van de voormalige concentratiekampen vanaf 1995 een grote vlucht hebben genomen. Ondanks deze achterstand hebben individuele Nederlandse archeologen, uit persoonlijke motivatie of belangstelling, wel degelijk oog gehad voor sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog die zich in hun opgravingsputten aandienden. Deze varieerden van incidentele ontdekkingen van menselijke resten tot de opgraving van samenhangende en grootschalige relicten van defensieve stellingen. In "Begraven Oorlogsverleden" wordt een begin gemaakt met de systematische ontsluiting van deze sporen, vondsten en gegevens. Daarbij ligt de nadruk op sporen en mobilia die tussen 1970 en 2000 zijn aangetroffen bij

opgravingen, maar ook toevallige ontdekkingen en meer gerichte opgravingen uit de periode 2000-2010 worden in de analyse betrokken. Op grond van een basisinventarisatie (Archis, veldtekeningen, dagrapporten, foto's, depots, mail-enquêtes, aanvullende interviews en rapportages van opgravingsbedrijven) en literatuuronderzoek (Duitsland, België, Frankrijk en Engeland), wordt een inschatting gemaakt van het wetenschappelijke potentieel en de cultuurhistorische waarde van de in Nederland aangetroffen sites. De resultaten worden gepresenteerd in een Nederlandstalig rapport voor vakgenoten en een Engelstalige (wetenschappelijke) publicatie. De database wordt opgezet conform de richtlijnen van eDNA, DANS en RCE. Daarnaast worden de onderzoeksresultaten van het project vertaald naar het inhoudelijk beleid voor de uitvoeringspraktijk en instandhouding (monumentenzorg), o.a. door het schrijven van een hoofdstuk voor de NOaA. Disseminatie onder maatschappelijke doelgroepen, zoals gemeenten, particuliere opdrachtgevers, planologen en ontwerpers, vindt plaats via websites (o.a. RCE, Erfgoed Nederland, CLUE, SfA).

Omschrijving lang

Het project “Begraven Oorlogsverleden” gaat niet over de uitwerking van één site of opgraving, maar over de inventarisatie en analyse van een categorie van archeologisch erfgoed en tevens ondergewaardeerde informatiebron: de bij archeologische opgravingen aangetroffen sporen en mobilia uit de Tweede Wereldoorlog.

De Nederlandse archeologie heeft altijd een wat moeizame relatie gehad met het oorlogsverleden. Een onderzoek naar de houding en rol van de Nederlandse vakgemeenschap gedurende de Tweede Wereldoorlog kwam pas laat op gang (Eickhoff 2002). Daaruit bleek dat sommige prominente archeologen in oorlogstijd nauwe banden onderhielden met de bezetter en met omstreden collega’s van Duitse universiteiten, of zelfs belangrijke functies vervulden binnen officiële onderzoeksinstituties van Nazi-Duitsland, zoals Das Ahnenerbe. Bovendien maakten Nederlandse archeologen dankbaar gebruik van Duitse militaire projecten, zoals de aanleg van vliegvelden en militaire infrastructuur, om hun veldwerkambities en opgravingen te realiseren. Misschien verklaart deze beladen voorgeschiedenis ook het ontbreken van een systematische, professionele belangstelling voor het oorlogserfgoed in de Nederlandse vakgemeenschap na de oorlog. Bij de ontdekking van vliegtuigwrakken waren het niet archeologen, maar defensiespecialisten die uitrukten voor nader onderzoek. Het archeologisch erfgoed van de slagvelden van Market Garden (o.a. Arnhem) en de Atlantikwall bleef lange tijd een aangelegenheid voor amateurs, zoals detectorarcheologen en bunkerspecialisten. Bij de herinrichting voor de voormalige concentratiekampen op Nederlandse bodem -Westerbork, Vught en Amersfoort- bleef een professionele archeologische begeleiding achterwege, ook al vonden de meest ingrijpende herinrichtingen plaats in het “Maltatijdperk”.

Samenvattend kan worden gesteld dat de interesse voor het oorlogserfgoed in de Nederlandse academische archeologie, de uitvoeringspraktijk en het cultuurhistorisch beleid tot op heden zeer beperkt geweest, ondanks het feit dat het zich kan verheugen in een grote publieke belangstelling. Deze situatie heeft ertoe geleid dat de Nederlandse archeologie een grote achterstand heeft opgelopen op het terrein van het academisch onderzoek, de instandhouding en het beheer van het oorlogserfgoed, niet alleen in empirisch, maar ook in methodisch en theoretisch opzicht. Dat wordt duidelijk als we de stand van de kennis en het onderzoek in Nederland vergelijken met die in landen als Duitsland, België, Frankrijk en Engeland, waar de battlefield archaeology, de archeologische studie van de materiële cultuur uit oorlogstijd en het onderzoek van de voormalige concentratiekampen vanaf 1995 een grote vlucht hebben genomen.

Ondanks deze achterstand hebben individuele Nederlandse archeologen, uit persoonlijke motivatie of belangstelling, wel degelijk oog gehad voor sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog die zich in hun opgravingsputten aandienden. Deze varieerden van incidentele ontdekkingen van menselijke resten tot de opgraving van samenhangende en grootschalige relicten van defensieve stellingen. Voor 2000 drongen deze zelden door tot de officiële opgravingsrapporten of publicaties, hoewel we ze tegenkomen op de oorspronkelijke veldtekeningen, in dagrapporten, op foto’s en –in het geval van de mobiele vondsten- in de depots. Uit een eerste scan, in maart 2010 uitgevoerd ten behoeve van deze aanvraag, blijkt dat het gaat om tientallen waarnemingen van sporen en vondstmateriaal met een potentiële wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde. Zo werden bij Gennep (L) loopgraven en afvaldumps van de geallieerden uit de winter van 1944-45 opgegraven (Heidinga & Offenberg 1992). In alle gevallen ging het echter om “bijvangst” en niet om onderzoek dat specifiek gericht was op de reconstructie van oorlogsgebeurtenissen.

Sinds 2000 is het archeologisch erfgoed van de oorlog ook in ons land bezig aan een voorzichtige opmars. Soms wordt de vakgemeenschap daarbij een handje geholpen door andere beroepsgroepen. Voor het ontwerp voor een stadspark in de nieuwbouwwijk Schuytgraaf (Arnhem) lieten landschapsarchitecten zich niet zozeer inspireren door de oudste bewoningssporen in het gebied, maar door archeologische sporen van de geallieerde luchtlanding van september 1944. Andere opzienbarende vondsten haalden de landelijke pers of officiële archeologische kronieken, al waren ze niet het resultaat van archeologisch onderzoek dat volgens de vereiste Malta-procedures en de KNA werd uitgevoerd. Dat gold bijvoorbeeld voor de materiële cultuur van een Marokkaanse soldaat, die een deel van zijn bezittingen veilig had weggestopt onder een boom bij Moergestel. Toch vormden onderzoeksvragen met betrekking tot oorlogserfgoed in een enkel geval het uitgangspunt voor het Programma van Eisen van een archeologisch onderzoek, zoals bij een bescheiden maar belangwekkende opgraving op de Grebbeberg bij Rhenen (RAAP 2009). Nu en dan vormden de sporen een betekenisvol ensemble of complex, zoals bij een opgraving in Meerhoven (2008), waar de resten werden ontdekt van een Duits militair tentenkamp, behorend tot het vliegveld Welschap.

In “Begraven Oorlogsverleden” wordt een begin gemaakt met de systematische ontsluiting van deze sporen, vondsten en gegevens. Daarbij ligt de nadruk op sporen en mobilia die tussen 1970 en 2000 zijn aangetroffen bij opgravingen, maar ook toevallige ontdekkingen en meer gerichte opgravingen uit de periode 2000-2010 worden in de analyse betrokken. Op basis van een basisinventarisatie (Archis, veldtekeningen, dagrapporten, foto’s, depots, mail-enquêtes, aanvullende interviews en rapportages van opgravingsbedrijven) en literatuuronderzoek (Duitsland, België, Frankrijk en Engeland), wordt een inschatting gemaakt van het wetenschappelijke potentieel en de cultuurhistorische waarde van de in Nederland aangetroffen sites. De resultaten worden gepresenteerd in een Nederlandstalig rapport voor vakgenoten en een Engelstalige (wetenschappelijke) publicatie. De database wordt opgezet conform de richtlijnen van eDNA, DANS en RCE. Daarnaast worden de onderzoeksresultaten van het project vertaald naar het inhoudelijk beleid voor de uitvoeringspraktijk en instandhouding (monumentenzorg), o.a. door het schrijven van een hoofdstuk voor de NOaA. Disseminatie onder maatschappelijke doelgroepen, zoals gemeenten, particuliere opdrachtgevers, planologen en ontwerpers, vindt plaats via websites (o.a. RCE, Erfgoed Nederland, CLUE, SfA).

Erfgoed Nederland

Deze website is onderdeel van en wordt beheerd door Erfgoed Nederland

Als landelijk sectorinstituut voor het cultureel erfgoed richt Erfgoed Nederland zich op kennisoverdracht en innovatie in de erfgoedsector. Erfgoed Nederland brengt daartoe organisaties (van buiten en binnen de erfgoedsector) bijeen rond actuele maatschappelijke vraagstukken, en organiseert reflectie, kennisuitwisseling en debat. 

Odyssee op de site van Erfgoed Nederland

Volg ons

Twitter