Project 31. Wrak Aanloop Molengat
Volledige titel
Wrak Aanloop Molengat. Analyse en presentatie van de eerste onderwateropgraving in de Noordzee
Aanvragers
hoofdaanvrager: Prof. dr. J.G.A. Bazelmans (Vrije Universiteit Amsterdam); Overige aanvragers: Dr. Th.J. Maarleveld (University of Southern Denmark)

Omschrijving kort
In 1984 werd een scheepswrak ontdekt dat de naam 'Aanloop Molengat' zou krijgen, naar de vindplaats in de Noordzee ten westen van Texel. De vondst van dit zeventiende-eeuwse schip was van groot belang, enerzijds vanwege de essentiële informatie over de scheepsbouw en het bijzondere karakter van de lading, anderzijds omdat deze vondst de aanleiding vormde tot verandering van de Monumentenwet (herziene Monumentenwet 1988, stb. 622). Voortaan zou systematisch onderzoek van archeologische vindplaatsen onder water door deskundigen prevaleren boven commerciële berging. Het betekende een enorme impuls voor de onderwaterarcheologie.
De opgraving van scheepswrak Aanloop Molengat vond plaats tussen 1985 en 1999. De omvangrijke opgravingsdocumentatie (gegevens en beeldmateriaal) is te vinden in het archief van de afdeling Scheeps¬archeologie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Lelystad. Het vondstmateriaal, bestaande uit ca. 750 objecten, is opgesteld in het Nationaal Scheepsarcheologisch Depot, dat huist in hetzelfde gebouw. Er verschenen diverse publicaties over het wrak Aanloop Molengat. Daarna viel het onderzoek stil. De gegevens van de opgraving Aanloop Molengat behoeven dringend uitwerking, omdat het onderzoek model staat voor de
ontwikkeling van de twintigste-eeuwse onderwaterarcheologie en erfgoedbeleving, maar vooral omdat micro-onderzoek aan de hand van de gedetailleerde documentatie over het vondstmateriaal een wezenlijk nieuw licht kan werpen op de structuur van de vroegkapitalistische industriële productie en handel in Europa en daarenboven bij kan dragen aan het discours over welvaart en ethiek in de vroege Republiek.
De projectgerichte inzet van extra mankracht en middelen stelt ons in staat het onderzoek naar wrak Aanloop Molengat binnen een jaar af te ronden.
Omschrijving lang
In 1984 werd in de Noordzee ten westen van Texel door een Texelse duiker een scheepswrak ontdekt. Het wrak kreeg de werknaam Aanloop Molengat, naar de geografische locatie. De ontwikkelingen die op deze ontdekking volgden leidden bij de toenmalige minister van WVC tot het inzicht “dat de Monumentenwet binnen de Nederlandse territoriale grenzen integraal ten uitvoer dient te worden gebracht” (10 juni 1985). Dit vormde de aanleiding tot verandering van de Monumentenwet (herziene Monumentenwet 1988, stb. 622). Vanaf dan zouden archeologische vindplaatsen onder water niet langer aan commerciele bergers worden overgelaten (waarbij de overheid een aandeel in de winst kreeg), maar voortaan door archeologen worden onderzocht. Hiertoe werd de Afdeling Archeologie Onderwater (AAO) in het leven geroepen, waarmee de ontwikkeling van technieken, routines en procedures op het gebied van de onderwaterarcheologie een aanvang kon nemen.
Aanloop Molengat werd daarmee het eerste onder water gelegen wrak in Nederland, dat professioneel werd opgegraven en onderzocht. De vindplaats op 16 m diepte bestond uit een wrakheuvel van 25 m lang en 8 m breed, gevormd door zorgvuldig gestuwde lading, met delen van de scheepsconstructie daaronder uitstekend. De lading bestond vrijwel geheel uit halffabricaten:
baren lood, bladen tin, staven smeedijzer, pakketten runderhuiden, ivoor, en Vlaams en Hollands laken. Een unieke vondst, want normaliter werden deze materialen na aankomst verwerkt tot eindproducten. Ook duizenden koperen spelden, kisten kanons- en musketkogels en vaten peperkorrels maakten deel uit van de lading.
Jaarringonderzoek van de kiel wees uit dat het hout na 1632 na Chr. is gekapt, het schip zal niet veel later zijn gebouwd. Hoewel alleen de bodem van het wrak was bewaard, waren er voldoende aanknopingspunten om de specifieke zeventiende-eeuwse ‘gladboordige bouw op z’n Hollands’ te bestuderen. Hiertoe zou een fragment van het wrak geborgen worden. De berging heeft echter nooit plaatsgevonden, het scheepswrak ligt nog op de Noordzeebodem.
In 1999 werd het laatste gedeelte van de vindplaats onderzocht. Over
verschillende vondstgroepen verschenen publicaties, maar daarna kwam de uitwerking vrijwel tot stilstand. Als gevolg van de snel groeiende duiksport in Nederland werden eind vorige eeuw veel nieuwe scheepswrakken ontdekt waarvan, gegeven het nieuwe beleid, de waarde moest worden vastgesteld. Hiertoe werd een nieuw instituut opgebouwd, het Nederlands Instituut voor Scheeps- en Onderwaterarcheologie (NISA). Net toen dit instituut zijn vruchten begon af te werpen, wijzigde het beleid van de overkoepelende Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek: de Archeologische Monumentenzorg en behoud-in-situ van archeologische vondsten stonden voortaan in het beleid centraal. Pogingen om het onderzoek weer op te starten, zoals opname van het scheepswrak in het Speerpunt-programma: schepen van de ROB, kwamen maar ten dele van de grond. Het project Aanloop Molengat kreeg hierdoor niet de (internationale) uitstraling en aandacht die het verdiende.
De vindplaats Aanloop Molengat is niet alleen uniek vanwege de bijzondere lading, de wijze van uitvoering van het project is medebepalend geweest voor de huidige vorm van de onderwaterarcheologie in binnen- en buitenland. De methodologische ontwikkeling van de nu ontluikende ‘natte’ archeologische markt is mede op deze opgraving geent. Het project werd een proeftuin voor technologisch geavanceerde werkmethoden (zoals gebruik van fotogrammetrie en de speciaal ontwikkelde onderwaterhoogtemeter) en trok studenten en onderwaterarcheologen uit onder meer Polen, China en de VS aan om kennis van het vak op te doen.
Om bovengenoemde redenen is het belangrijk dat de gevolgde werkwijze wordt geexpliciteerd, het vondstmateriaal wordt ontsloten en de impact op het beleid inzichtelijk wordt gemaakt. Maar het project heeft een belangrijke meerwaarde. De tussentijdse analyse van de uiteenlopende vondstgroepen heeft aangetoond dat het complex een unieke bijdrage levert aan de ontrafeling van de structuur van vroegkapitalistische productie, arbeidsdeling en handel. Dit gebeurt op micro-niveau voor de onderscheiden vondstgroepen, maar heeft directe gevolgen voor de modellen die in de sociaal-economische geschiedenis worden gehanteerd voor de competitieve voorsprong van het westen. Deze vinden hun weerslag in het werk van Wallerstein en Landes, om twee voorbeelden aan weerskanten van het politieke spectrum te noemen. Als zodanig is het onderzoek aanvullend op macro-analyses van historici als De Vries en Van der Woude. Daarbij komt nog de politiekhistorische analyse van de samenstelling van een voor oorlogsdoeleinden relevante lading, die -halverwege de Dertigjarige Oorlog- in de Republiek lijkt te zijn gestapeld en daarvandaan uitgevoerd.
Samenvattend behelst het onderzoeksvoorstel Aanloop Molengat de uitwerking van de opgravingsgegevens in een probleem- en doelstelling op drie niveau’s. Het micro-onderzoek naar de structuur van de vroegkapitalistische productie en handel heeft een grote betekenis voor de wereldgeschiedenis en specifieke regio’s in Europa en daarbuiten. De politiek-historische analyse is van belang voor het begrip van handelsgeest en ethiek in de vroeg zeventiende-eeuwse Republiek. En tenslotte de betekenis van de vondst in het twintigste-eeuwse erfgoedbeleid, die bepalend is voor de identiteit van Nederlandse maritieme archeologie: de historische ervaring van de ontdekking binnen de regionale context, de daaropvolgende bekrachtiging van de Monumentenwet, tot een voorbeeld-onderzoek dat pas tot voorbeeld van de toekomstige erfgoedbeleving kan leiden, als de ‘lessons learned’ ook worden uitgewerkt.
Het is van belang om juist nu dit project weer op te starten, nu er binnenshuis, maar ook buiten de RCE nog expertise van de betrokken onderzoekers aanwezig is. Daarmee is afronding binnen een jaar haalbaar.
