Project 2. Between appearance and reality
Volledige titel
Between appearance and reality: the excavation Bergumermeer S-64B as a milestone of Stone Age research in the Netherlands.
Aanvragers
Drs. M.J.L.Th. Niekus (Rijksuniversiteit Groningen); Overige aanvragers: Prof. dr. D.C.M. Raemaekers (Rijksuniversiteit Groningen)

Omschrijving kort
De vindplaats Bergumermeer S-64B speelt sinds de opgravingen begin jaren '70 internationaal een belangrijke rol in de beeldvorming over het Mesolithicum. De gepostuleerde aanwezigheid van enkele gelijktijdig bewoonde hutten op deze locatie heeft geleid tot de interpretatie van de vindplaats als residentiële nederzetting. Mede op basis van de laat-mesolithische datering is deze interpretatie de basis gaan vormen voor hypothesen over veranderende demografische factoren en toenemende sedentarisatie van jager-verzamelaars. De plaats van Bergumermeer S-64B in het wetenschappelijke debat over het karakter van veranderingsprocessen gedurende het Mesolithicum kampt echter met een groot probleem: de primaire gegevens zijn ontoegankelijk, waardoor toetsing van de interpretatie en de geformuleerde hypothesen onmogelijk is. Het voorliggende onderzoeksvoorstel heeft dan ook als doel om de opgravingsgegevens te ontsluiten. Tevens wil het een antwoord
krijgen op de vraag in hoeverre de gepostuleerde chronologische en ruimtelijke integriteit gefundeerd is, waarbij de unieke 'hutplattegronden' een centrale positie innemen. Dit is niet alleen van wetenschappelijk belang. De onderzoeksresultaten zullen ook een bijdrage leveren aan de opbouw van een gefundeerd referentiekader voor waardering in de archeologische monumentenzorg, maar ook aan de publieke beeldvorming. De representatie van het Mesolithicum in archeologisch themapark Archeon in Alphen aan den Rijn is immers gebaseerd op Bergumermeer S-64B.
Omschrijving lang
Achtergrond
De vindplaats Bergumermeer S-64B (prov. Friesland) is een van de bekendste mesolithische opgravingen van Nederland en is ook in het buitenland een begrip. Na een systematische inventarisatie van mesolithische vindplaatsen rondom het Bergumermeer en De Leijen werd de locatie begin jaren ’70 geselecteerd voor een opgraving (Newell & Vroomans 1972). De motivatie voor deze keuze was gelegen in de goede conservering van de vindplaats, de laatmesolithische datering en de verwachting dat de vindplaats zou bijdrage aan de kennis over de materiële cultuur van het Laat-Mesolithicum, de kenmerken van mesolithische nederzettingen en de voedseleconomie van mesolithische jagers-vissers-voedselverzamelaars. De opgraving, welke plaatsvond tussen 1971 en 1974, stond onder leiding van dr. R.R. Newell van het Biologisch-Archaeologisch Instituut (nu Groninger Instituut voor Archeologie) van de Rijksuniversiteit Groningen en werd gekenmerkt door het internationale karakter. Vele tientallen archeologen uit binnen- en buitenland zijn hun carrière begonnen langs de oevers van het Bergumermeer.
De opgraving betekende een radicale breuk met het Nederlandse steentijdonderzoek in de jaren ’50 en ’60. Niet langer stond het artefact als onderzoeksobject centraal maar werd een vuursteenvindplaats gezien als de materiële neerslag van het gedrag van een groep jagersvissers-voedselverzamelaars. Deze neerslag werd geïnterpreteerd in termen van modellen die waren geënt op etnografisch onderzoek. De invloed van Amerikaanse archeologen als exponenten van de New Archaeology bracht eveneens ingrijpende veranderingen met zich mee wat betreft de systematische en zeer nauwgezette wijze van opgraven, documenteren en analyseren van steentijdvindplaatsen.
Het belang van Bergumermeer S-64B is niet alleen gelegen in het feit dat het de grootste en meest systematisch onderzochte steentijdvindplaats van Noord-Nederland is maar vooral vanwege de sleutelrol die het speelde in andere aspecten van onderzoek naar het Mesolithicum. De vindplaats heeft onder meer een zeer belangrijke rol gespeeld bij de definitie van mesolithische nederzettingstypen en hun interpretatie in termen van anthropologische modellen (base-camps, extraction camps etc.), ideeën over bevolkingsgroei en de overgang naar een bestaanswijze gebaseerd op landbouw en veeteelt (“neolithisering”) in de Lage Landen. De grootte van de vindplaats en de vermeende aanwezigheid van hutten werd gezien als een bewijs voor een sterke bevolkingstoename en een meer sedentaire levenswijze tijdens het Laat-Mesolithicum (Newell 1973). Daarnaast is de typochronologische indeling van het Mesolithicum in Nederland mede gebaseerd op artefacten van deze vindplaats en vormt het de belangrijkste vertegenwoordiger van het zogenaamde “De Leijen-Wartena Complex”.
Probleemstelling
De vindplaats heeft een belangrijke rol gespeeld in de beeldvorming over het Mesolithicum op het vlak van: 1) nederzettingstypen/-systemen, 2) demografische aspecten van mesolithische jager-verzamelaars, 3) economie/sedentisme en 4) typochronologie. Hoewel de vindplaats regelmatig wordt aangehaald in publicaties (bijv. Bogucki, 1988; Evans, Pollard & Knight 2002; Peeters & Niekus 2005; Tolksdorf et al. 2009; Vermeersch & Bubel 1997; IJzereef 1999) is het, vanwege het gebrek aan gepubliceerde gegevens, onmogelijk om de diverse claims te verifiëren dan wel alternatieve interpretaties en/of hypothesen te formuleren. Bij afwezigheid van de primaire gegevens van Bergumermeer in het archeologische debat zijn er in Noord-Nederland slechts twee overige vindplaatsen uit het Mesolithicum die als mogelijke grotere residentiële vindplaatsen zouden kunnen worden beschouwd. Het betreft NP3 (Groningen; grotendeels ongepubliceerd) en Hempens (Friesland; deels gepubliceerd).
Doelstelling
Het voorliggende voorstel is er op gericht om inzicht te krijgen in de ruimtelijke en chronologische integriteit van de vindplaats welke aan de basis staan van de eerder genoemde claims (Newell 1973). Indien de integriteit van Bergumermeer S-64B niet hard gemaakt kan worden ligt er een duidelijk probleem met betrekking tot de vier benoemde aspecten van beeldvorming over het Mesolithicum.
