Project 18. Uniformiteit of pluriformiteit?
Volledige titel
Uniformiteit of pluriformiteit? De inheems-Romeinse grafvelden van Oss-Ussen, Mierlo-Hout-Snippenscheut en Geleen-Janskamperveld
Aanvragers
Hoofdaanvrager: Drs. R. Jansen (Universiteit Leiden); Overige aanvragers: drs. A. Tol (ARCHOL)

Omschrijving kort
De laatste decennia van de vorige eeuw is een groot aantal inheems-Romeinse grafvelden opgegraven op de Brabantse en Limburgse zand- en lössgronden. Helaas hebben lang niet alle van deze grafvelden hun beslag gekregen in een (KNA-conforme) wetenschappelijke rapportage.Dit NWO-Odyssee project behelst de uitwerking van een drietal opgravingen van inheems-Romeinse grafvelden, te weten Oss-Ussen (1976-1980; IPL), Mierlo-Hout-Snippenscheut (1992-1993; IPP) en Geleen-Janskamperveld (1991; IPL). Van genoemde opgravingen is het vondstmateriaal grotendeels gedetermineerd en beschreven, zijn de veldtekeningen gedigitaliseerd en sporen en structuren opgetekend in scripties en/of (zeer) voorlopige publicaties. Een afsluitende en volledige rapportage ontbreekt echter in alle gevallen.
Hiddink (2003) concludeert in zijn studie dat de kennis van inheems-Romeinse grafvelden en het bijbehorende grafritueel veel beperkter is dan strikt noodzakelijk. Dat is het gevolg van het feit dat een groot aantal goed onderzochte grafvelden niet of nauwelijks is gepubliceerd. De uitwerking daarvan is van fundamenteel belang voor de ontwikkeling van modellen voor inheems-Romeinse grafvelden. Naast de rapportage van de gerefereerde projecten beoogt het project voor het laatste een bijdrage te leveren door middel van een afsluitend, synthetiserend artikel. Het vraagstuk uniformiteit of pluriformiteit verwijst daarbij naar Hiddinks' aanname dat er mogelijk sprake is van een lokaal grafritueel.
Omschrijving lang
Het project behelst primair de rapportage van drie inheems-Romeinse grafvelden (deelproject 1-3). Dit heeft enerzijds een empirisch karakter in de vorm van beschrijvingen van de individuele grafmonumenten, anderzijds een beschouwend karakter met aandacht voor de lange-termijn ontwikkeling en sociale en culturele betekenis van de grafvelden, situering in het fysieke en culturele landschap, lokaliteit en/of regionaliteit en het (lokale) grafritueel. Het project wordt afgesloten met een synthese waarin ook de resultaten van andere, ook meer recent opgegraven, grafvelden uit dezelfde periode worden belicht.
Deelproject 1: Uitwerking Oss-Ussen
Als onderdeel van het grootschalige onderzoeksproject Oss-Ussen is door de Universiteit Leiden tussen 1976 en 1980 een uitgestrekt inheems-Romeins grafveld opgegraven. Met circa 265 begravingen, waaronder enkele uit de late ijzertijd, vormt het een van de grootste inheems-Romeinse grafvelden op de Brabantse zandgronden. Een definitieve uitwerking is tot op heden echter achtergebleven. Er zijn alleen een scriptie en een tweetal voorlopige artikelen verschenen (Döbken 1982; Van der Sanden 1987; Hessing 2000).
Het grafveld leent zich bij uitstek voor de analyse van een inheems-Romeins grafveld in haar culturele setting. Rondom is een uitgestrekt areaal opgegraven met bewoningssporen uit m.n. de ijzertijd en Romeinse tijd. Het unieke karakter daarvan blijkt uit het feit dat het onderzoek een belangrijke bron vormt voor modellen over laatprehistorische en inheems-Romeinse bewoning in Zuid-Nederland (Van der Sanden & Van den Broeke 1987; Slofstra 1991; Fokkens 1996; Schinkel 1998; Wesselingh 2000; Gerritsen 2003).
De resultaten geven niet alleen inzicht in de diachronische, lange-termijn ontwikkeling van een cultuurlandschap maar bieden ook een synchroon beeld van de inrichting van een ruraal landschap in de Romeinse tijd. Het onderzoek biedt de mogelijkheid de plaats van het grafveld, in relatie tot andere fenomenen als nederzettingen en cultusplaatsen te onderzoeken. Daarnaast is er de mogelijkheid verschillende grafvelden op een microregionaal niveau met elkaar te vergelijken (Oss-Horzak: Bruineberg 2007; Jansen & Fokkens 2002, Schaijk-Gaalse Heide: Modderman 1960/61).
Deelproject 2: uitwerking Snippenscheut
Als onderdeel van het onderzoeksproject Zuid-Nederland is door het IPP in 1992 en 1993 o.a. een inheems-Romeins grafveld opgegraven in Mierlo-Hout (Roymans & Tol 1993). Het omvat 114 graven en grafmonumenten die alle, op één kringgreppel na, een rechthoekige of vierkante vorm hebben. Het inheems-Romeinse grafveld is uitgewerkt in een scriptie (Tol 1993). Hoewel het grafveld sterk geërodeerd is, zijn drie kenmerken ervan van bijzonder belang voor de bestudering van de dodencultus van lokale gemeenschappen in Romeins Zuid-Nederland. In de eerste plaats valt op dat de graven bewust lijken te zijn aangelegd ‘op’ een veel oudere prehistorische begraafplaats (Tol 1999). Een gebruik dat ook uit de prehistorie bekend is (e.g. Fokkens e.a. 2009; Roymans & Kortlang 1999). Dit is intrigerend omdat het tegenovergestelde ook voorkomt, waarbij de Romeinse bewoning zich niets lijkt aan te trekken van oudere relicten in het landschap.
Een tweede opvallend aspect is dat het grafveld lijkt aan te sluiten op een grote rechthoekige omgreppeling die als cultusplaats is geïnterpreteerd. De combinatie van begraafplaats en (oudere) cultusplaats biedt de mogelijkheid om inzicht te verkrijgen in het niet-funeraire gebruik van inheems-Romeinse begraafplaatsen. Als laatste is er de mogelijkheid om ook hier de relatie met de bijbehorende nederzetting te onderzoeken (Mierlo-Hout-Brandevoort: De Groot 2001).
Deelproject 3: uitwerking Geleen-Janskamperveld
In 1991 is door de Universiteit Leiden een inheems-Romeins grafveld in Geleen-Janskamperveld opgegraven. In totaal werden 104 rechthoekige en vierkante grafstructuren en een inhumatiegraf blootgelegd. Omdat er ook bewoningssporen en graven uit de ijzertijd liggen, lijkt een voortzetting van het grafveld van ijzertijd naar Romeinse tijd mogelijk (Van Hoof 2009). Het grafveld is in een doctoraalscriptie uitgewerkt en ligt op publicatie te wachten (Wesselingh 1992). Janskamperveld biedt de mogelijkheid tot bestudering van een van de weinige inheems-Romeins grafvelden in het sterk geromaniseerde villalandschap van de Limburgse lössgronden. In vergelijking met de zandgronden, waar villa’s lijken te ontbreken, een geheel andere context (Jansen & Van Enckevort 2008; Jansen & Fokkens in druk). Ten slotte kunnen ook hier de ontwikkelingen vanuit de ijzertijd worden gevolgd.
